Verslagen Staat van Nederland 2013, Arbeid & Zorg


Prof. Dr. Janneke Plantenga –
Sociaal akkoord moet ook voor jongeren werken

Is een tijdelijke baan een opstapje of een doodlopende weg? Prof. Plantenga, Hoogleraar Economie van de verzorgingsstaat aan de Universiteit van Utrecht, analyseert de jeugdwerkloosheid in Nederland.

Volgens cijfers uit 2011 is de participatiegraad op de Nederlandse arbeidsmarkt de hoogste in Europa, met een “buitengewoon gunstig werkloosheidspercentage van jongeren”. Daar staat echter een relatief hoog aantal tijdelijke en deeltijdse aanstellingen tegenover. Bovendien worden de statistieken beïnvloed door de studiefinanciering. Sommige jongeren zijn misschien niet eens op zoek naar een voltijdbaan vanwege een studie.

Om meer duidelijkheid te krijgen over de werkelijke positie van jongeren op de arbeidsmarkt, richt Plantenga zich op de “eerste èchte baan”, en dan specifiek op de vraag of een tijdelijke baan een opstap biedt naar een voltijdsbaan, of dat het een doodlopende weg is.

In het geval van een opstap, zou een tijdelijke baan een screening device zijn, voor de werknemer en de werkgever om te beslissen of het de juiste aanstelling is. Het zou de route van school naar werk moeten verkorten. Bij een doodlopende weg zou een tijdelijk baan vooral in het voordeel zijn van de werkgever, en zou de tijdelijke werkkracht minder scholing ontvangen. Het zou de route naar een vaste aanstelling langer maken.

Een flexibele start zou geen nadelig effect hebben op het krijgen van een vaste baan, is een bevinding van Plantenga. Dus geen doodlopende weg. Maar meer keren veranderen van baan verkleint de kans op het hebben van een vaste baan. Dat spreekt de theorie van het opstapje weer tegen. Samenvattend zegt Plantenga dat het vooral aan omstandigheden ligt of het om een opstap of om een doodlopende weg gaat.

Uit haar analyse blijkt ook dat een korte zoekperiode zou helpen bij het vinden van een vaste baan. Dit ondersteunt niet de stelling dat het een goed idee is ‘om elke baan te nemen die een werkzoekende kan krijgen’. Dit wijdt Plantenga aan het scarring effect: een slechte ervaring met een tijdelijke baan kan de werknemer met een spreekwoordelijk litteken laten zitten: werkgevers kunnen denken ‘als die werknemer goed was geweest, was hij wel bij dat bedrijf gebleven’.

Het beleidsplan om startersbeurzen in te voeren, moet daarom voorzichtig worden uitgerold, omdat dit het litteken bij werknemers kan vergroten. De beurzen moeten zo veel mogelijk worden omgezet in banen.

De betere balans tussen flexibele en vaste arbeid uit het sociaal akoord moet ook voor jongeren gelden, benadrukt Plantenga. “De manier waarop dat nu is vomgegeven gaat wellicht ten koste van de ruimte die beschikbaar is om wat voor de jongeren te doen.” Maar in principe is het een goed idee dat vast minder vast wordt en flexibel minder flexibel, om te voorkomen dat er een tweedeling komt op de arbeidsmarkt, van beschermde vaste contracten en onzekere flexibele contracten.

Moeten we spreken van een “verloren generatie”, vraagt Plantenga zich af. Dat valt volgens haar mee: De situatie is “niet rooskleurig, maar beter dan in een groot deel van de rest van Europa”.

Alexander Leeuw

Klik hier voor de presentatie van Janneke Plantenga.

 

Prof. Dr. Hugo Keuzenkamp – Hoezo, crisis?

De gezondheid zorg staat in de publieke belangstelling, al aantal jaar is er een soort crisissfeer wegens oplopende kosten, fusies van ziekenhuizen, fraude, thuiszorg.

Is er nou echt zo’n crisis? Wat is de rol van de verschillende partijen en waar gaat het naar toe?

Wat betreft de kwaliteit, kunnen we dat vergelijken met het buitenland. De kwaliteit is in ieder geval vele malen beter dan 10, 20 jaar geleden het geval was.  Comfort, verpleging, de zorg; er is sprake van kwaliteitsgroei.  Op Europese ranking scoort NL al sinds 2009 de eerste plaats. Bij alle indicatoren zitten we in de top drie of top 5, maar door het consistent hoog scoren staan we over all op de 1ste plaats van de EHCI (European Health consuming index)-ranking.  Ook is er vrije toegankelijkheid van zorgaanbieders, en je mag kiezen tussen verzekeraars.

Er is een keerzijde aan de hoge score, en dat zijn de kosten. Dat is de hypothese van EHCI. De kosten zijn afgelopen jaren heel erg hard gestegen en vormen nu de reden voor een gevoel van onbehagen. De totale kosten zijn 70/80 miljard euro.  In 1970 4% van BNP, 1980 6%, en afgelopen jaren boven de 10%. Wij zitten aan de bovenkant. VS wel hoger, 18% van nationaal inkomen.

De grote stijger is niet cure, maar care. In Nederland wordt veel geld besteed aan langdurige zorg, veel meer dan in het buitenland. AWBZ is ontzettend gegroeid. De consumptie voor de cure valt wel mee. Doktersbezoek per inwoner, is 5,7 keer per jaar, in Duitsland is dat 8. CT scans: 11,3 per inwoner, in Duitsland 17. En meer van dat soort voorbeelden. Dus cure wijkt niet zo veel af van het buitenland. Onze extra kosten zitten in care.

Het kabinetsbeleid is er op gericht de stijging van de kosten te verminderen. De vraag is: hebben de zorgverzekeraars wel goed tegenwicht geboden aan de ziekenhuizen? Dus, waar komt de groei van uitgaven vandaan?  Een deel van de oorzaak is te vinden in de ontwikkeling van technologie. Ook inkoop speelt een rol.

Zorgverzekeraars  zijn momenteel erg op de centen, het gaat er scherp aan toe. Ik heb nu net gehoord dat een zorgverzekeraar bij een ziekenhuis in het midden van het land 14% wil bezuinigen in 2014. Dat kan niet en zal de organisatie ontwrichten. Maar er is sterke druk vanuit verzekeraars om kosten te besparen.

De winst gemaakt door zorgverzekeraars zou terug moeten naar de klant. Dat gebeurt ook. Vraag is, gaat er genoeg terug? Hoeveel eigen vermogen hebben zorg verzekeraars nodig? De solvabiliteit is hoog, misschien wel te hoog, soms zelfs 200%.

Moeten ziekenhuizen zich specialiseren in plaats van alle zorg bieden? Het idee bestaat dat hoe vaker je iets doet, hoe goedkoper en beter je het doet. Dit is – met wat kanttekeningen- ook het geval  bij ziekenhuizen. Verzekeraars spelen daar op in en dat is een prikkel voor ziekenhuizen om zich te specialiseren.

Toekomst Nederlandse zorg?
Ik ben optimistisch, de infrastructuur is goed.  Huisartsen zijn van goed niveau, vervullen hun poortwachtersfunctie goed. De ziekenhuizen zijn in goede staat, mensen zijn goed opgeleid. De enige vraag is of als de financiële druk heel groot wordt, de wachtlijsten niet gaan groeien, meer patiënten per verpleegkundige etc.

Waar is de macht van de verzekeraars het meest geslaagd? Ik denk dat verzekeraars meer in staat zijn de kosten te verlagen dan de overeid. Als je kijkt naar de situatie in het Slotervaart zieknhuis: daar is een zorgverzekeraar dapper aan het worden. Per saldo ben ik gematigd positief over wat verzekeraars hebben bereikt.

Hugo Keuzenkamp

Klik hier voor het essay van Hugo Kreuzenkamp Crisis? Hoezo, crisis?


Prof. Dr. Paul de Beer – Tien misverstanden van economen over arbeidsmarktbeleid

Prof. De Beer wijdde zijn voordracht aan de volgens hem tien misverstanden achter het arbeidsmarktbeleid van Rutte-II. Te weten:

1. Bevolkingskrimp leidt tot structurele krapte
2. Iedereen kan werken
3. Ouderen zijn te duur
4. Ontslagbescherming belemmert kans op werk
5. De arbeidsmobiliteit is te klein
6. We moeten langer werken, niet korter
7. Werkzekerheid is beter dan baanzekerheid
8. Levenslang leren moet
9. Lange WW-duur leidt tot hogere werkloosheid
10. De verzorgingsstaat moet plaatsmaken voor de participatiesamenleving

Volgens De Beer presenteren economen en de media te vaak meningen van economen als vaststaande feiten. Tijdens de vragenronde stelt iemand uit het publiek dat De Beer precies hetzelfde doet; “dus u heeft hetzelfde gedaan als de economen waar u zich aan ergert?” “Ik heb tegenover de argumenten van economen andere argumenten geplaatst die naar mijn idee minstens zozeer kunnen rekenen op wetenschappelijke onderbouwing. Maar sociale wetenschappen, en zeker economie, biedt geen enkele absolute zekerheid of waarheid.”

1. Bevolkingskrimp leidt tot structurele krapte
Volgens De Beer is er “geen aanwijzing dat krimp tot werkloosheid leidt’’. Het is zijns inziens eerder andersom is. Het bewijs voor zijn stelling is dat landen en regio’s met een krimpende bevolking meestal hogere werkloosheid hebben.

2. Iedereen kan werken
Beleid om iedereen aan het werk te krijgen heeft volgens De Beer “altijd gefaald”. Er is altijd een groep met een lage productiviteit, die met subsidie wel aan het werk gezet kan worden, maar dat zou geforceerd en nog kostbaarder zijn. “De participatiewet is te optimistisch.’

3. Ouderen zijn te duur
“Loon van oudere werknemers blijft stijgen terwijl productiviteit gaat dalen, veronderstellen economen.” Maar De Beer redeneert dat een loonsverhoging het besluit is van een werkgever, en dus een bewijs van waardering. Fluïde, tijdelijke vaardigheden nemen misschien af met leeftijd, maar ‘gekristalliseerde’, vaste vaardigheden zoals leidinggeven blijven groeien, dus het stijgen van loon “duidt erop dat ouderen hun geld waard zijn”.

4. Ontslagbescherming belemmert kans op werk
“Een onzinnige veronderstelling”, volgens De Beer. Nieuwe werknemers, of ze oud of jong zijn, krijgen steeds vaker tijdelijke contracten en vallen dus niet onder ontslagbescherming. Vaste krachten stappen misschien wel minder vaak over, maar dat is niet van toepassing op de werkgever die mensen aanneemt.

5. De arbeidsmobiliteit is te klein (vooral bij ouderen)
“Dit duidt volgens economen op een verstarde arbeidsmarkt”, zegt De Beer, maar volgens hem zou op een arbeidsmarkt met perfecte mobiliteit mensen snel op hun plek zijn, en zou de mobiliteit dus met leeftijd verminderen. “Het kan dus ook betekenen dat onze arbeidsmarkt juist heel goed functioneert.”

6. We moeten langer werken, niet korter (met name vrouwen)
Meer uren werken en tot op latere leeftijd. “Dat is juist tijdens een crisis onzin. Dat betekent minder werk voor anderen.” Volgens De Beer moeten we tijdens een crisis juist korter werken, met een eenmalig pardon voor zestigplussers. Dat maakt de markt flexibeler voor de conjunctuur op de korte termijn. Op de lange termijn is langer werken te overwegen, maar volgens de hoogleraar een keuze en geen noodzaak.

7. Werkzekerheid is beter dan baanzekerheid
“Werkzekerheid is een goed streven maar een illusie, zoals de huidige crisis laat zien. De overheid kan wel enige mate van baanzekerheid garanderen.”

8. Levenslang leren moet (want kennis veroudert sneller)
“Echte inzicht” veroudert volgens De Beer niet. Kennis die snel veroudert, is volgens hem hype of informatie. Onderwijs of een cursus kan nuttig zijn bij het verliezen van een baan en daarom moet budget voor scholing niet over alle werkenden worden verdeeld maar “geconcentreerd worden voor degenen die het werkelijk nodig hebben”.

9. Lange WW-duur leidt tot hogere werkloosheid
Dit is volgens de hoogleraar niet waarschijnlijk. Kortere WW zou volgens hem voor een kleine groep sneller werk betekenen, maar voor een grote groep een snellere overgang naar bijstand.

10. De verzorgingsstaat moet plaatsmaken voor de participatiesamenleving
“De verzorgingsstaat is er juist om mensen in staat te stellen om te participeren” en de participatiesamenleving is volgens De Beer een misverstand omdat het “een alternatief zou zijn voor de verzorgingsstaat”. De verzorgingsstaat is er met andere woorden voor degenen die niet kunnen participeren.

Alexander Leeuw

 

Prof. Dr. Ton Wilthagen – Sociaal akkoord is ‘laagwaardig flexibiliseren’

Nederland moet niet terug willen naar het vaste sjabloon. Het sociaal akkoord probeert flexwerk (zonder vast contract en werkplaats) terug te dringen, maar het zou het moeten normaliseren. Dat bepleit prof. dr. Ton Wilthagen, hoogleraar institutioneel-juridische aspecten van de arbeidsmarkt aan de Universiteit van Tilburg. Het beleid van het kabinet, zoals het inkorten van de maximale duur van tijdelijke contracten, komt volgens Wilthagen neer op “politieke wenselijkheid”, zonder concreet beleid.

Eerst bespreekt Wilthagen de feiten, bijvoorbeeld dat Nederland samen met Spanje en Portugal in de top-drie staat van Europa’s flexgebruikers. Er zijn volgens hem drie mogelijkheden: Niets doen en het zo laten; Flex terug in het doosje; of Flex normaliseren en beter verzekeren. Het is duidelijk waar zijn voorkeur naar uitgaat, ook zonder het bijschrift bij de laatste mogelijkheid op de powerpoint: “meest proactieve optie gezien ontwikkeling arbeidsmarkt”.

Nadelen voor flexwerkers zijn volgens Wilthagen dat ze minder verdienen, wat hij wijt aan de CAO. Ze scholen zich ook minder scholen. Om dat te verbeteren volgens zijn visie, zou Nederland flexibiliteit moeten normaliseren, in plaats van geforceerd terug te werken naar tijdelijke contracten. “Het vast contract wordt een doel op zich”, redeneert Wilthagen. Daar maakt hij zich zorgen over.

Hij draagt oplossingen aan. Als eerste: Collectieve voorzieningen, zoals de WAO, aanpassen, zodat flexwerkers meebetalen en ook van de voordelen gebruikmaken. Als tweede: Nationale voorzieningen creëren, die niet afhankelijk zijn van het soort contract, want dat zorgt op het moment voor een verschil tussen de vaste contracten en ‘anderswerkenden’. Via fiscalisering zouden scholing, arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en pensioenvoorzieningen betaalbaar worden voor flexwerkers. De derde suggestie zou zijn om de regio’s de controle te geven, omdat die er belang bij zouden hebben om de flexwerkers bij te scholen en te helpen.

Kortom: “Meer zekerheid in de flex, in plaats van proberen flex terug te dringen”

Alexander Leeuw.

Klik hier voor de presentatie van Ton Wilthagen.

 

Evelien Tonkens – Pleidooi tegen marktwerking in de zorg

“Dit is een geweldige kans om jullie te zeggen wat jullie eigenlijk moeten doen”, verkondigt prof. dr. Evelien Tonkens tegenover de journalisten. De hoogleraar Actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam wil het hebben over de mythes en onderbelichte oorzaken van de zorgkostenstijging; de afkalving van de zorgstaat; en de woelige toekomst van ziekenhuizen. Daar moeten journalisten meer over schrijven.

De zorg is volgens de miljoenennota 2014 met 77,8 miljard euro de grootste uitgave na de sociale zekerheid en arbeidsmarkt met 78,6 miljard. “Reden om in te grijpen”, zegt Tonkens. De zorgkosten zijn volgens Tonkens sinds 2000 bijna verdubbeld.  De grootste toename zit bij de ziekenhuizen, Aldus door haar gepresenteerde cijfers van het NZA en het College van zorgverzekeringen. Niet in de ouderenzorg, hoewel dat het grootste doelwit is van bezuinigingen, vermeldt Tonkens erbij.

Een vraag uit het publiek: waarom verschillen Tonkens claims met die van Hugo Keuzenkamp, die in het uur daarvoor sprak? “Hugo en ik zijn het altijd met elkaar oneens”, erkent ze direct. “Ons grootste verschil van mening gaat over wat marktwerking doet. Hij zegt dat het efficiënt is en ik zeg dat het hartstikke duur is en alleen nog maar duurder wordt.”

Marktwerking is volgens Tonkens, toezichthouder bij verschillende zorginstellingen, de reden voor de kostenstijging bij ziekenhuizen. Sinds de invoering van marktwerking in de zorg in 2005 hebben de financiële instellingen een financiële buffer nodig. De zorgkostenstijging is volgens Tonkens logisch omdat “zorginstellingen in korte tijd een hele hoop geld hebben moeten sparen. Dat is een kosteneffect dat niets met zorg te maken heeft”.

In de zorg is daarnaast volgens Tonkens een “ethiek van productie” ontstaan, als gevolg van de marktwerking. Deze leidt tot verspilling. Onderzoek is bijvoorbeeld een goede bron van inkomsten voor ziekenhuizen, dus dat krijgt meer aandacht. Daar komen kosten bij zoals pr, marketing en hoge salarissen aan de top. “Zodra je binnen de marktwerking functioneert dan geldt een hele andere logica.” Er zijn volgens Tonkens volop redenen om de marktwerking af te schaffen en een “ethiek van zuinigheid” na te streven.

Mocht de verzorgingsstaat plaatsmaken voor een participatiesamenleving dan gebeuren volgens de hoogleraar een aantal dingen. Onder andere: een overbelasting van informele zorg, slechtere behandeling van ouderen, een overbelasting van vrijwilligers en een schaamte voor zorgafhankelijkheid. Het zal volgens haar neerkomen op een survival of the fittest.

Alexander Leeuw

Klik hier voor de presentatie van Evelien Tonkens.