Verslagen Staat van Nederland 2013, Democratie & Financien

 

Prof. Dr. Rens Vliegenthart – Politiek debat in 140 tekens: de macht van de nieuwe media

Vraag: wie in de zaal denkt dat de sociale media de realiteit tussen politiek en burgers daadwerkelijk heeft veranderd? De meerderheid. Nieuwe media heeft de lijntjes tussen politici en burger verkort. Klopt dit?

Het geloof in sociale media past in medialogica. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er eigenlijk drie fases van logica in het publieke debat: politieke logica (verzuiling, politiek partij als belangrijkste factor), daarna publieke logica (ontzuiling, vermenging politiek en media werd minder, was goeie tijd voor journalisten) en sinds de jaren 90 medialogica (gedreven door commercie en scoringsdrang).

Het enthousiasme van politici over twitter is hier een reactie op: ze hebben weer wat mogelijkheid om buiten de media om met de burger in contact te treden. Het biedt potentie. Het enthousiasme is te begrijpen. En het werkt ook. Als je tweet naar een politicus, krijg je vaak een reactie.

Sociale media zijn in de ogen van politici een succesverhaal, mede omdat zij zagen hoe sociale media in de campagne van Obama functioneerden. Hij gebruikte sociale media om voorstanders aan te sporen op een traditionele manier campagne te voeren, bijvoorbeeld door langs deuren te gaan.

Macht sociale media:

Ultieme doel: kiezer mee te krijgen. Voorwaarden om dit doel te behalen:

1)      Politici moeten er gebruik van maken, op verschillende wijzen en tot op verschillende hoogtes.
90% twittert, en ook redelijk actief. Wel meer gedurende campagneperiodes. Maar ook stijging door de tijd heen. Voor de verkiezingen waren vooral  PvdA, GL en D66 actief– na de verkiezingen was er een switch en kwamen de VVD’ers op. Linkse partijen twitteren over linkse onderwerpen er rechtse partijen over rechtse onderwerpen.

2)      Het medium heeft de potentie kiezer te beïnvloeden. Je kunt er attitudes mee veranderen. De kracht moet er zijn.
In potentie is het mogelijk om met sociale media de kiezer te beïnvloeden, maar het effect moet niet overschat worden. We houden het op ‘ja, misschien een beetje’.

3)      Kiezers maken gebruik van sociale media
Dat is veel minder dan politici denken. Consuming is al weinig, actieve participatie nog minder. Dit betreft een hele kleine groep. En welke kiezers gebruiken het? Hoogopgeleid. Politiek geïnteresseerd, sterke politieke voorkeur(wel diverse voorkeur). Zie voorwaarde vier:

4)      Potentieel beïnvloedbaren worden ook daadwerkelijk bereikt. Niet de hardcore CDA’ers maar de zwevers.
Nee, want de actieve kiezer heeft al een sterke voorkeur. Dat levert niet zoveel op.

Conclusie: de nieuwe media doen eigenlijk niet zoveel. Verkiezingsuitslagen worden niet direct beïnvloed. Maar wel indirect.

Wilders maakt op andere manier gebruik van twitter. Hij interacteert niet. Hij richt zich ook niet tot zijn volgers, maar tot journalisten. Het was een tijd de enge manier om met hem te communiceren, dus het werd telkens opgepikt. Het is een goede strategie, maar tegen de ‘regels’  van twitter. Wel makkelijk voor journalisten.

Uit de zaal: ja, makkelijk, en politici zouden hier meer gebruik van moeten maken, een directe quote op wat er in het nieuws is en dan kom jij in mijn nieuwsbericht. Twitter zou een goede manier zijn voor onbekende Kamerleden om zicht te profileren, maar de tweet van Samsom komt eerder in de krant, dan die van een onbekend Kamerlid. Dus eigenlijk is het business as usual, hoewel het vele malen sneller is.

Uit de zaal: Een verschil tussen landelijke en lokale politici: regionale media verdwijnen, dus is twitter steeds vaker de manier om aan feitelijke informatie te komen.

Conclusie:
Het publiek op Twitter is te beperkt voor grootschalige effecten. Maar hoe belangrijk is de groep die wel bereikt wordt? Misschien heel belangrijk en beïnvloeden zij juist buren, familie en vrienden.

Uit de zaal: De sociale media is wel de manier van politici om ons, journalisten, te omzeilen. Hoe gaat dat in toekomst? Het is een moving target, nu hebben we het over twitter, misschien over vijf jaar over iets heel anders. Steeds meer mensen gaan het gebruiken, maar juist ook dan is het alsnog de vraag of je die mensen bereikt. Als ze niet geïnteresseerd zijn in politiek, lukt dat waarschijnlijk niet. Ik ben wel wat sceptisch, aldus Vliegenthart.

Nina van den Berg

 

Dr. Jan de Ridder  – We gaan spreken over feiten, over de financiële positie van gemeenten, de effecten van huidige bezuinigingen.

Wat zijn de inkomsten van alle gemeenten in Nederland? 52,5 miljard voor 415 gemeenste, gemiddelde per gemeente is 125 miljoen. Die 52,5mld is opgebouwd uit inkomsten van het Gemeente Fonds, specifieke uitkeringen, heffingen en eigen middelen.

De kleinste gemeente, Schiermonnikoog heeft 6 miljoen inkomsten, de grootste gemeente, Amsterdam, 6 miljard.

Nederlandse gemeenten kunnen niet failliet gaan. In de VS kan het wel. Detroit is bijvoorbeeld wel failliet, men gaat daar op een andere manier van om met gemeenten. Een Nederlandse gemeente kan wel onder toezicht komen te staan van de provincie en eventueel aanvraag doen voor extra steun. De maatschappelijke gevolgen van een faillissement van een gemeente zijn gigantisch. Vandaar in Nederland deze insteek.

Boekhouding is een hulpmiddel.
Denk aan de 37 Joint Strike Fighters, die kosten 4,5mld en gaan 40 jaar mee.
Kasstelsel: 4,5 mld. op de begroting in jaar van aanschaf.
Baten en lasten-stelsel: -elk jaar 112 miljoen op de begroting – (rest)waarde bezig als actief op de balans

Gemeenten: Focus op evenwicht baten en lasten. In overheidsland wil men een baten en lastenstelsel laten zien, want dat makkelijker te volgen. Sinds de jaren 80 hebben gemeenten dit. Focus op evenwicht, het beruchte EMU-saldo (3 procent begrotingstekort) heeft tot gevolg de Wet HOF: men wil graag die 3 procent in acht nemen, maar kleine gemeenten kunnen dan niet altijd, dus het is een macronorm geworden: het te kort van alle gemeenten bij elkaar wordt  in ogenschouw genomen, niet per gemeente.

Schulden
Nederlandse gemeenten kunnen altijd geld lenen van banken. Bij een baten en lasten stelsel gaat het er om dat gemeenten elk jaar hun rente kunnen betalen. Dat is vaak niet zo’n probleem, dus schulden kregen lange tijd geen aandacht in het baten en lasten stelsel. Schiermonnikoog heeft een schuld van 5 miljoen. Is dat erg? Dat hangt er vanaf.

Economisch nut en maatschappelijk nut: het eerste kun je verkopen, het tweede niet. Belangrijk verschil.

Solvabiliteit is voor gemeente niet heel erg belangrijk. Wat wel belangrijk is, is de vraag: wat staat er tegenover de schuld? Kan ik het eventueel aflossen wanneer nood aan de man is? In het geval van gemeenten kan dat met de bezittingen met economisch nut, niet met bezitten met maatschappelijk nut. Grond is een voorbeeld van het eerste, de kunstschatten van een stad een voorbeeld van het tweede.

Instabiliteit en kwetsbaarheid
Als er structureel te kort is, dan zal de provincie toezicht instellen. Het zelfde geldt voor artikel 12, extra steun, dan gaat overheid goed kijken of er niet nog wat is.

Aantal gemeenten dat formeel een probleem heeft, is beperkt en zelfs afgenomen in 2005-2013.
Behalve instabiliteit is ook kwetsbaarheid een probleem. Problemen op termijn:
–          Waardegevoelig bezit t.o.v. eigen vermogen
–          Gebrek aan flexibiliteit in de begroting. Alles ligt al vast. Bijvoorbeeld rente aflossing, dat is heel ‘hard’, maar er zijn meer verplichtingen waar gemeenten sowieso aan moeten voldoen. Gemeten aan de hand van opgesoupeerde belastingcapaciteit. Je zou kunnen zeggen dat als een gemeente aan de max zit van wat er geïnd kan worden door middel van belastingen, dat hij ook vaster in de begroting zit.

–          Heeft een gemeente genoeg weerstandvermogen? Het aantal kwetsbare gemeenten is in 2007-2011 toegenomen.
Voor de transparantie zou het goed zijn als het duidelijk zou zijn hoe vast of ‘hard’ bepaalde lasten posten zijn op de begroting: sommige dingen zijn heel vast, andere een beetje, en weer andere enkel ‘politiek’ vast. Dus flexibiliteit kan wel.

Het aantal gemeenten zonder probleem is van 236 naar 163 gegaan in de periode 2007-2011. Je zou kunnen zeggen dat dat een tikkende tijdbom is. Dit heeft te maken met schulden. Een schuld in gemeenteland, is op zich geen probleem. Maar er ontstaan ander type problemen. Er kan chronisch te veel worden uitgegeven. Of schuld groeit maar vermogen niet. Dan gaan er risico’s ontstaan.

Toekomst
Zie Coelo-rapport. Decentralisatie gaat ook voor meer kosten zorgen voor gemeenten. Dan komen we op een tekort van 6 miljard in 2017. Maar… De gemeenten krijgen eigenlijk 9 mld. Meer. Ze moeten daar wel allerlei taken voor gaan uitvoeren, en het is verleidelijk om dat budget te gebruiken om bezuinigingen te compenseren. Dit zal een serieus probleem worden. De kans is groot dat de taken die de gemeenten moeten gaan uitvoeren, onder de maat zullen zijn.’’

Nina van den Berg

 

Dr. Nico Baakman – De macht van de ambtenaar: Relatie ambtenaar-democratie

De welbekende vierde macht, het ambtelijke apparaat, heeft een flinke vinger in de pap bij het bepalen van het beleid. Echter er is maar zelden sprake van bewuste manipulatie, al komt het zeker voor. De invloed van het ambtelijke apparaat is van een andere, meer conserverende aard. Voorbeeld daarvan is de situatie in Belgie. Ruim een jaar lag de politiek plat, maar het openbare bestuur funnctioneerde alsof er niets aan de hand was.  Het ambtelijk apparaat is de ruggengraat van de politiek: de informatie, kennis van zaken, routine en ervairng zitten bij de topambtenaren en zelden bij hun bazen.

Ambtenaren zijn loyaal aan hun bewindslieden, maar ook aan de organisatie en hun eigen positie. Beleid gericht op versterking daarvan wordt sneller uitgevoerd dan beleid wat er aan toornt.  De term ‘dynamisch conservatisme’ slaat op het ambtelijke vermogen creatief conservatief te zijn, zodat er weinig veranderd. Een interessant geval de komende periode worden de ontwikkelingen bij Defensie. Het is overduidelijk dat het apparaat de grootst mogelijke moeite heeft met het nieuwe beleid.

Bovenstaande gaat over topambtenaren. Daarnaast heb je de ‘street level bureaucrats’: pogingen om hun aantal te beperken door bijvoorbeeld quota in te voeren hebben vaak negatief effect. Een andere groep ambtenaren zijn de voorlichters en spindocters. Eigenlijk zijn zij een soort verkopers van beleid en zien ze het als hun taak hun politieke baas te beschermen. Op het Binnenhof vind je tegenwoordig meer van dat soort voorlichters, dan journalisten. Dit vind ik (Baakman) een bedreiging voor het openbare debat en het beetje democratie wat wij nog hebben.

Baakman heeft er moeite mee om ons stelsel democratie te noemen. Het is een poging om een ideaal te benaderen. Het systeem is een compromis. Daarbij is er een hoop veranderd sinds Thorbecke – we zijn steeds verder van het ideaal verwijderd geraakt.

  • Van 1200 gemeenten en minder inwoners, naar 415 gemeenten en 16,7 mln inwoners.
  • Per 50.000 inwoners 1 Kamerlid, wilde Thorbecke. Nu 150 voor 16,7mln, en ze willen er 100 van maken.

Je kunt in dit land Kamerlid worden zonder dat je ook maar een stem vergaard hebt. Dat betekent dat die Kamerleden geen idee hebben wie hun kiezer zijn. Het is de partij die überhaupt bepaalt of jij nog op de lijst komt, niet de kiezer. Het vreemde is ook dat je stemt op een partij, maar je moet wel een rood kruisje achter een naam zetten. En als een Kamerlid uit de partij stapt, blijft de zetel zijn/haar eigendom. Vreemd.

Paars net na Pim Fortuijn, er stonden een hoop mensen op de lijst die dachten wel in de regering te komen. Maar dat bleek anders te gegaan en veel van hen belandden in de oppositie. Velen waren binnen een jaar al weer weg uit de Kamer– hadden ze geen zin in. Niet echt een handelswijze die je zou verwachten van een volksvertegenwoordigers,

PVV en SP zijn vrijwel niet vertegenwoordigd onder topambtenaren, maar de kans is groot dat ze nodig gaan zijn in komende kabinetten, gaat dat gevolgen hebben voor het ambtelijk apparaat? Alle partijen zijn bezig om mensen op plekken te krijgen, zelfs GL doet dat.

Rouleren van topambtenaren heeft tot gevolg dat er steeds minder velddeskundigheid is. Steeds vaker denkt men dat men manager kan zijn zonder iets van de inhoud te weten. Steeds meer topambtenaren zijn management-types.

Nina van den Berg

 

Prof. Dr. Rinus van Schendelen – De macht van de lobbyisten

Definitiebepaling
,,Lobbyen is wandelgangengedrag gericht op het beïnvloeden van iemand die het voor het zeggen heeft. Het idee dat men politici zou kunnen beïnvloeden met enkel wandelgangengedrag is achterhaald, wie iets wil bereiken moet heel veel shoppen en kan niet enkel bij een iemand aankomen. Er is een structurele aanpak nodig en die heeft de naam gekregen ‘ public affairs managment’. Je externe agenda buiten je voordeur beïnvloeden in eigen voordeel. Lobbyen is altijd zelfzuchtig. Dat is niet erg, zolang maar niet een iemand het doet, maar iedereen. Lobbyen is maar een klein onderdeel van het grote ‘spel’  van beïnvloeding.

Den Haag
95% van de regelgeving gaat buiten het binnenhof om, 5% van binnen uit. Waar is de democratie gebleven?

In de ‘lobby’  in Den Haag zijn veel journalisten te vinden, maar ook veel belangenbehartigers. Wat doen zij daar als er nauwelijks nog zaken kan worden gedaan, omdat de regelgeving elders wordt gemaakt?

De laatste jaren is er steeds meer bevoegdheid overgedragen naar de markt, daar wordt steeds meer onderling geregeld.

Tip voor journalisten: De rijksoverheid is een oester geworden. Voorlichting, eenrichtingverkeer, alles is gladgestreken, oninformatief, de echte dingen komen je niet te weten. De echte lobbyingangen zijn afgesloten. Dit is ook zo in Brussel. Dus je moet het anders aanpakken, bijvoorbeeld de ambtenaren treffen in de trein als ze ’s ochtends eerste klas richting Brussel gaan.

U zit in een branche van eendagsvrienden. Als je een primeur hebt: opknippen! Dan heb je elke 24 uur weer nieuws.

Brussel
Er is veel intelligentie nodig om daar aan belangenbehartiging te doen. De nationale hoofdsteden zijn oesters, afgesloten van de samenleving.

Tot 2007, 2008 werd er meer geïnvesteerd in Brusselse correspondenten, maar de laatste paar jaar is er een desinvestering in de Brusselse nieuwsgaring, helaas.

De tijd is over dat een lobbyist in zijn eentje kan beïnvloeden. Er moet worden samengewerkt in platformpjes, netwerkjes. Niet met een meute, maar met een uitgekiende massa. Dat kunt u doen met eerder genoemde belangengroepen. Als zij naar u komen en iets van u willen, een mooi verhaal, zorg dan dat u daar wat voor terug krijgt, informatie!

Nederlandse lobbyisten lopen achter. Ze moeten leren dat ouderwets wandelgangengedrag achterhaald is. In welk achterkamertje kun je in Den Haag nog zaken doen? Nergens.

Journalisten en lobbyisten lopen een heel eind met elkaar op. Daarna gaat het over resultaat boeken en dat is waar u en ik uit elkaar gaan.

Acceptatie
Alleen bij gewone burgers heeft lobbyisme een slechte naam. Maar noem het belangenbehartiging en mensen vinden het geen probleem. Het is een paradox.  Public affairs, als u dat vraagt, daar hebben gewone burgers geen enkel idee bij. De zenders zijn in het algemeen positief over beïnvloeding, behalve als ze verliezen. Dat zijn die huilebalken die vervolgens naar de journalisten toe komen. Aan de ontvangst kant bij het parlement is men behoorlijk enthousiast over het fenomeen lobbyisten, vooral omdat het er zoveel zijn. Behalve bij twee ,,extreme partijen’’, de PVV en SP, die moeten niks van lobbyisten hebben, terwijl ze er zelf ook wat van kunnen.

In Den Haag is een oester geboren, het polder model, jij mag naar binnen en jij niet en dat noemen we democratie. In Brussel willen ze iedereen  binnen hebben, ze willen diversiteit en zijn mans genoeg om dat zelf te ordenen. Hoe meer in formatie hoe beter!

Welke belangengroepen scoren hoog op transparantie? Journalisten helemaal onderaan, samen met advocatuur. U heeft een probleem!’’

Nina van den Berg